Pijn na een knieprothese
Na implantatie van een totale knie prothese, waarbij de stand van de componenten op de röntgenfoto als goed is beoordeeld door de operateur, is de oorspronkelijke pijn die werd veroorzaakt door de artrose meestal verdwenen. Toch zijn niet alle geopereerde patiënten klachtenvrij en tevreden met het resultaat van de operatie. Ongeveer 5 tot 10% van de patiënten heeft nog pijnklachten. De verwachtingen van het resultaat van de operatieve behandeling liggen hoog vooral als het gaat om sport en recreatieve activiteiten. Op de eerste plaats moet bij voortdurende pijnklachten na een prothese een infectie altijd worden uitgesloten. Vooral de zogenaamde laag-gradige infecties met bacteriën die langzaam groeien en die geen afwijkingen veroorzaken bij de laboratoriumcontroles vormen nogal eens een probleem in de diagnostiek. Deze laag-gradige infecties gaan vaak vanaf de operatie gepaard met een aan belasting gerelateerde pijn die anders is dan de pijn waarvoor de behandeling bedoeld is. Vele jaren later kunnen deze infecties alsnog een loslating van de prothese veroorzaken. Predisponerende factoren zijn wondlekkage langer dan 5 dagen, post-operatieve koorts langer dan 3 dagen en het gebruik van immunosuppressiva (medicijnen die de afweer van het lichaam beïnvloeden). Nauwkeurige periodieke röntgencontroles zijn dan belangrijk omdat de eerste verschijnselen van loslating op de röntgenfoto zichtbaar worden voordat de patiënt de symptomen van een loslating bemerkt. Sommige patiënten geven vaak een hoefijzerachtige pijn aan in het scheenbeen en rond de knieschijf. Vooral in de eerste maanden kan deze pijn zich manifesteren. Deze klachten worden toegeschreven aan kapselzwelling, soms in combinatie met hydrops (vocht in het gewricht) en druk op het vetlichaam van Hoffa dat zich voor in de knie bevindt (zie ook bij anatomie).
Door verklevingen is de mobiliteit van dit vetlichaam, dat een belangrijke bron is voor afweer en daarom celrijk is, beperkt. Bovendien is het vetlichaam rijkelijk voorzien van zenuwweefsel. De klachten verdwijnen meestal spontaan. Een belangrijke reden van klachten in het voorste gedeelte van de knie wordt soms veroorzaakt door de component die aan de gewrichtszijde van de knieschijf wordt geplaatst (patella prothese). Als te weinig van de knieschijf is verwijderd en daardoor de druk in dit gewricht toeneemt (ook wel “overstuffing” genoemd), kan pijn ontstaan en bovendien de buiging van de knie worden gehinderd. Pijnklachten aan de binnenzijde van de knie kunnen veelal worden toegeschreven aan de release van de mediale band en verdwijnen spontaan na ongeveer 6 tot 8 weken. Als de pijn voortduurt moet altijd worden gedacht aan een mogelijke heup slijtage aan dezelfde zijde. Daarbij wordt ook pijn ervaren aan de binnenzijde van de knie!
Pijnklachten in de knieholte wordt gezien bij patiënten die voor de operatie een buigdwangstand hadden (flexiecontractuur) en de knie al niet meer volledig konden strekken. Met oefentherapie verdwijnen deze klachten in enkele maanden. Het strekken van de knie vanaf de operatie is dan ook uiterst belangrijk! Een andere belangrijke oorzaak van niet goed te duiden kniepijn is de neuropathische pijn die wordt veroorzaakt door rek op zenuw weefsel (zenuwen in het gewrichtskapsel) of beschadiging van huidzenuwen wat niet altijd te voorkomen is. Ook deze pijn heeft vaak een self-limiting karakter maar is nogal eens de reden dat patiënten worden verwezen naar de pijnpolikliniek. Vooral knieën die meerdere operaties hebben ondergaan zijn berucht voor deze neuropathische pijn.
Pijn gekoppeld aan stijfheid van de knie wordt regelmatig gezien. Er zijn meerdere oorzaken voor deze stijfheid bekend zoals pre-existente verminderde beweeglijkheid voorafgaande aan de operatie, een “knie met voorgeschiedenis” (denk daarbij aan een plateaufractuur of operatief bandherstel of osteotomie), onvoldoende pijnbestrijding post-operatief en onvoldoende oefentherapie door de patiënt zelf of door de fysiotherapeut. Indien de knie niet verder buigt dan 80 graden wordt vaak ongeveer 6 tot 10 weken na operatie de knie doorbewogen op de operatiekamer.
Het complex regionaal pijn syndroom (CRPS type I) is een zeldzame oorzaak van pijn na een knieprothese. Dit syndroom, dat voorheen bekend stond als reflexdystrofie, manifesteert zich met typische verschijnselen die bij inspectie van de knie te zien zijn. Een klamme huid, versterkte haargroei, pijnlijk functieverlies en blauwrode verkleuring (warme vorm) of juist een koeler en bleek aspect van de huid (koude vorm). De behandeling van het syndroom is moeizaam en wordt meestal begeleid door de pijnspecialist (anaesthesioloog).
In 2 tot 7% van de prothesen wordt pijn ervaren in het patellofemorale gewricht. Er zijn diverse oorzaken voor deze pijn waaronder het onterecht niet vervangen van de knieschijf, het te weinig afzagen van de knieschijf waardoor "overstuffing" ontstaat, subluxatie of volledige luxatie van de patella en malpositie van de femur of tibia component om er enkele te noemen.
Niet in alle gevallen wordt een oorzaak voor voortdurende pijnklachten gevonden. Het is belangrijk pijn waarvoor geen duidelijke oorzaak wordt gevonden in een vroeg stadium na operatie adequaat te behandelen. Belangrijk te weten is dat in slechts 50% van de niet goed te duiden pijnklachten een operatieve interventie leidt tot vermindering van klachten en beperkingen! Men spreekt van een eindstadium van herstel na een periode tot twee jaar na operatieve behandeling. Geduld wordt dus uiteindelijk vaak beloond en voorkomt een onvoorspelbare en onnodige nieuwe operatieve behandeling waarbij de kans op een infectie ook groter is dan bij de primaire ingreep. In een grote serie knieprothesen bleek dat na 1 jaar 10 % van de patiënten pijnklachten had. Dit was verminderd tot 1% 5 jaar na de operatie.

